24.2.11


VAN DE BOER

hard land.
weinig ploegen trekken hier
hun scherpe groef.
hard land.

ik zal de akker
zacht maken, en gedwee
voor mijn werk,
zegt de boer.

hard land.
drijven nog veel onweders over
eer het zaad valt
in de groef.

hard land,
zei de vader;
zachte aarde,
zullen de zonen zeggen

van de boer.



VAN DE MOEDE REIZIGER

wij blijven beiden lusteloos verder trekken,
jij, de lucht, en ik, die in mijn wagen zit;
wat mijmering, wat grijs…
onze wereld is dezelfde horizon,
roerloos als het land
en toch op reis.

wij vinden beiden, als de avond valt,
ik, een hoeve, jij een rand,
dezelfde horizon,
en het heemwee
om het schone dat wij zagen,
bij al het kwade dat wij vonden
op reis, in dat andere land.

wij blijven beiden lusteloos verder trekken,
schaduwen van een wereld die ons niet omvat:
jij wat grijze hemel, ik wat wee.
wij vloeien samen
of vergaan wij beiden?
tot alleen de reis nog roept, alleen het strand,
en vaag, vòòr ons, de zee…

No comments:

Post a Comment