19.2.11



ONTWAKEN

ik droomde vannacht een zeldzame droom:
de stilte volkomen
het landschap vrij
en ikzelf daarin,
duister en stil.
ik zocht wolken,
vond ruimte, wist ruimte
de grijze vijand in mij,
de aarde te leeg,
de stilte te hoog.

wolken zocht ik, gedaanten,
een grens voor zoveel grijsheid,
wolk en klank,

tot ik
- uit duister en stil en bang verleden -
plots mijn handen vond;
van levende schaduwen
het koud geheim,
en de witzwarte stilte die breken zou.

roekeloos hopen en wachten.

woedend, uit de wervelwind,
sloegen de stenen
tegen de grond.

raak mij aan, even nog raak mij aan,
liefste,
druk mij nauw tegen jouw dij,
prevel mijn naam,
nu de droom verzwindt…



OORLOG

geen morgen zag ik
waar geen bloed in lag;
geen huis, geen steen,
of er lag wreedheid in.
zonder wraak of dood
is geen dag.

ik heb een bloederig hoopje mens gezien
midden gele boterbloemen
die tintelden van zon.
ik heb een dode gezien in de regen,
troosteloos arm.
nog, nog is er moord op alle wegen!

alleen liefde vindt men niet.

geen morgen zag ik
waar geen bloed in lag;
geen huis, geen steen,
of er lag wreedheid in.
elke dag wordt verdriet
voor de eer, voor de macht,
de grootheid, de glorie
en de kleuren…
van een vlag!

No comments:

Post a Comment