20.2.11


OPBOUW

liefste,
ik wil vergeten dat ik ergernis gaf aan mijn vriend.
ik wil zo veel vergeten.

het wordt een zeldzame strijd nu,
iets van zéér hoge, zuivere kracht,
met jou aan mijn zijde.

ikzelf ben vijand.

liefste,
dood niet de drift in mij,
maar de begeerte
naar al wat zwoel en onveroorloofd is.
ik ben lang niet klaar.

tweespalt.
niets in mij is onverdeeld gebleven.

strijd en lafheid, vlucht;
de moeilijke uren, de uren van gebed.
ik kon niet kiezen, uit innerlijk geweld
moest ik bouwen èn slopen.

liefste,
als het maar aan onze wereld is
dat ik bouw.

olie en wonden.



OPGANG

als over de hoge dammen
van het hoogste land
overvloedig water stort,
kracht bij uitstek, ongebonden woede,
breek die droom,
hoger de blik!

hoger!
geen bedding raakt de topen;
hoger, waar geen mens kwam
dan met verheven dood in zich –
verblindend licht…

ik
die laag wou, veilig in de dalen,
waar de bermen drift ontschepen
uit rivieren, uit de meren;
- drift die mij naar schaduw drijft,
geborgen streven -
hoe terg ik het water
dat verlangen doet naar diepte,
naar hoogte, naar uitersten,
naar waar ook
waar ik wachten kan, onthecht,
herademen kan, na half een leven
dubben, wegen, tegenwegen…

hoe misprijs ik dat vlokje water
uit jouw hand?

No comments:

Post a Comment