17.2.11


KLEIN VERHAAL

ik heb
wat van mij is:
mijn lichaam
mijn handen
en twee ogen die veel schoonheid zagen
en veel kwaad.

mijn lichaam,
dat ben ik dus.

ik sliep met vele vrouwen
toen ik jonger was
en dronken in mijn bloed.
mijn lichaam
dat was drift vooral
en onbeperkt genieten:
elke schede was mij goed.

mijn handen
waste ik vaak.
een gril.

mijn ogen keken toe.

ik heb Brugge gezien,
Vlaanderen in alle hoeken,
de zee bij nacht;
uren van bewondering!...
ik zag ook knapen
stiekum bezig met elkaar
- maar wat ik niet beleven kon
wordt best verzwegen, goede man –

ik zag veel, heb veel gehoord
en gelezen.
ik vermoed weinig geheimen meer…

nu kan ik wachten
op het laatste wonder:
te sterven zonder spijt,
en worden begraven
met eer…



MACHTELOOS

al wat niet van deze wereld is:
mijn droom
mijn vrees
mijn eigen ik,
meer kan ik niet doen opwegen
opwegen tegen jou, jij kleine wereld,
dan al wat niet van deze wereld is.

sterren
sieraden
al wat eindeloos is,
wat niet bij dromen hoort;
nachten
straten
al wat vrees en dood is;
en ik
die hunkerend leven wil!

er is geen wereld
dan de ziel in mij:
een machteloos snikken…
mijn droom
mijn vrees
mijn eigen ik,
al wat, zoals de sterren, eindeloos
ongenaakbaar is…



MARSMAN

wijd mij in in jouw geheimen, vrouw,
en ontsluier mij vannacht
héél jouw hart.
glijd je handen langs mijn lenden, vrouw,
ontbloei jouw mond een open roos
aan mijn mond.
heilig de nacht.

No comments:

Post a Comment