1.3.11


ZELFVERNEDERING

ik
ben een nietig nietig mens,
een man, ofschoon gebroken…
o mijn kop die zo sterk kon staan
en moe nu steunen moet
op een warme schouder,
in vrouwenhanden,
met de duistere wens:
niet meer op te staan…

jij,
die mij vergeven wou,
mijn zwakheid
de vrucht van vreemde dolende nachten,
o laat mij nog eens
nog ééns vergaan in jouw armen
héél hartstocht,
nietig – sterk opnieuw
met de woelende wil van mijn roe
mijzelf, in jou
te verkrachten!...



ZIELSARMOEDE

het is de roep van het leven:
een werkende knaap,
een man met armen als spaden:
het goede leven.

het is de middag,
rustig en koel onder diepe bomen;
een verloren stem, een lied, een blik:
het schone leven.

het is het wee van wat dromen,
een strelende hand,
een vrouw…
en een zingen van ver, in ons:
het stille leven.

het is de avond
goud en roerloos in de hoven,
stil en goed.
een knaap, een stem, een hand:
een hoger leven.

en ik
in wie dat leven woedt, vol armoe,
en jij, de rijke ziel
die mij beminde,
wat kan ik jou geven?...



ZOALS ALLE ANDEREN…

ook ik moet de weg van het leven op,
een leven van werk en strijd;
van werk om wat brood,
van strijd tegen dood en vernieling;
van zorg om de dagen
van zorg om de tijd,
en, bij het einde, toch
de dood…

ook ik moet de weg van het leven op.
mijn stap is vast en breed
- een ideaal in mijn ziel, een lied gereed -
en de weg op, langs de dagen.
zo wil ik gaan, tot het einde toe,
volharden door leed en nood.
zo zal ik leven:
koel, maar groot!

No comments:

Post a Comment