4.3.11

AFREKENING EN NIEUW LEVEN

2. DE AFWEZIGE BOEZEMVRIEND

Als de oude boezemvriend maandenlang afwezig is en herinneringen van hem in een nieuw, en ditmaal ook kritisch licht worden gesteld; als andere vrienden elk hun weg gaan; dan is een verlaten maar vruchtbare akker meteen klaar voor nieuw zaad…


ROOD

van oude namen
die opwekken tot vreemde idealen,
heb ik genoeg.
puin
dat bloed en oorlog oproept,
ga ik voorbij.
ik ga àlles voorbij;
de einder is breed genoeg.

van het land
dat mij een naam gaf,
die ik verwerp,
wil ik niet horen.
elke vlag zijn maar kleuren
die verbleken in wind en zon;
en waar ik werd geboren,
hoop ik niet te sterven.
de einder is ver genoeg.

ik noem geen eiland;
mijn wereld heeft geen naam,
mijn vriend niet,
die wacht op deze laatste woorden,
zijn arm om mijn schouder
- vuurtrillend bloed! -

er sloop een pijn in mij…

daar, waar zoëven
de zon onderging,
is de einder rood genoeg…



OVERBODIG

de nacht is aan zijn laatste sterren toe.
het kampvuur bleek en overbodig.
nieuw hout, de laatste takken worden aangevoerd.
twee mannen zien verraad in ‘t licht,
dat nieuw zal oplaaien,
te fel zal zijn, en overbodig.

wie zet eerst, uit oude gewoonte,
weer het masker op?
beschuttend, hard, en overbodig?



RUZIE

als ie op mij toekomt,
de vroegere vriend,
groot en gespierd,
steen mijn vuist hard gespannen,
hard tot de slag gereed.
want ook ik ben groot,
een vuur van drift;
ook ik kan uitdagend zijn, en méér:
sterk, somber, wreed!
dat àlles.
van hem, van anderen
dùld ik dat niet!

vandaag wil ik paden, wegen, straten
lanen voor mij alleen.
geen vrees, maar wrok verweven.
en als ik zou te dromen staan, bewogen
door heuvels en vogelzang,
en weet, dat hij, verborgen
toch van elders uit
dezelfde heuvels ziet, de merels hoort,

keer ik terug
en daag de hemel uit!

vergeefs…
ineengegroeid, al jaren elkaars
spiegelbeeld, wie kwets ik
dan mijzelf
bij elk vervreemdend woord?



No comments:

Post a Comment