6.3.11

AFREKENING EN NIEUW LEVEN

4. REIS IN DROOM EN WERKELIJKHEID



HET LIED VAN DE ZEEMAN

ik heb van het lied van de zeeman gehoord,
het lied van een lange reis.
een reis die hem traag om de wereld voer
naar een eiland,
zijn paradijs.

in het donker van de hemel
zag hij sterren klaar, de zeeman,
en hij zong…
zong van zijn leven, zijn werk, zijn wee,
en van zijn geliefde:
de zee!

de zeeman,
hij droomde van havens en baaien
en hij verlangde
zo naar een vrouw!
en een strand waar zijn hartstocht
op zou laaien,
en zijn liefde voor de zee
als een lied.

toen de avond kwam
en een eiland doemde uit de zilveren zee,
zong de zeeman niet.
ergens weerklonk een weemoedige wijs.
de palmbomen wuifden, van alle tijden
het oud refrein…

in de nacht, onder duizende sterren klaar,
voer de zeeman zwijgend aan land.
hiet lag het einde van een lange reis:
de zeeman, zijn lied, en dit
het eiland:
zijn paradijs!....



HERLEIDING

klein als de wijk om mij heen is herleid,
met lanen en pleinen
die elke dag onder mijn stappen
kleiner kleiner worden,
is deze stad geen goede woonplaats meer voor mij.
ik wou elders zijn,
waar meer licht is, en meer nacht;
ik wou ver, ver zijn…

in een wereld, die niet anders ware
dan eilandenland, dan blauwe lucht, dan bergen;
een wereld van verbeelding,
waarin ik
ongetwijfeld,
eens tot rust zou komen…

de volste overgave,
want Vlaanderen is te klein voor mij.



SPIRAAL

de vlakte heb ik verlaten
voor het hoogland.
ik wou dichter bij de sterren;
alleen de sterren
luisteren naar mijn lied.

het hoogland heb ik verlaten
voor de zee.
ik voer op zee van eiland tot eiland.
alleen de golven
droegen mijn lied.

de zee heb ik verlaten
voor een haven.
in de haven hoorde ik jonge zeelui
zingen van hun liefjes,
van het hoogland en de vlakte,
van de zee…

zij
luisterden naar mijn lied!



ZEE

van ‘t één eiland naar het ander,
over met water gevulde dalen:
dit is de zee, een oud bedrog.
en schepen die maar varen
met veel volk aan boord,
dat luidruchtig zijn vrees vergat
en lacht
midden verdronken landbouwland.

zee!
vermetel hart van mij,
dat ééns dit schijnbaar eiland schiep
en wild omgordde,
nu, verborgen, zee!



HET TWEEDE LAND

weer,
wéér zal ik staan voor de glinsterende zee,
en méér verlangen zoeken!

het onbegrensde,
het zo levengelijke heerlijke licht!
de warme morgen
als iedereen al buiten staat.

méér verlangen
dan slechts willen léven!
geen dag, geen nacht
die nog vervreemden zou,
dan in de stille kerken
op puin gebouwd
- de glimlach van de knapen ongestoord…

je lag mij zeer na,
Griekenland.


Voor een jongeman, wiens gootste reis tot zijn 17 een rondreis was door Nederland, en even later, tijdens de legerdienst, de trage urenlange treinreis van Brussel naar Kassel (Duitsland), blijft een reis naar exotische werelddelen een droom die niet gemakkelijk in vervulling schijnt te gaan. Pas in het gedicht “het tweede land” is de reis, begonnen als droom, duidelijk een werkelijkheid geworden. En het land van bestemming was, en is, Griekenland.

No comments:

Post a Comment