10.3.11

AFREKENING EN NIEUW LEVEN

8. DE LIEFDE

De avond vóór de terugreis naar Brussel zitten de twee vrienden in een spijshuis in het centrum van Athene. Zorgvuldig geschreven adressen worden uitgewisseld. Vanaf morgen zal verder kontakt noodzakelijk door briefwisseling gebeuren. Nog wat bijzonderheden over de wederzijdse families komen ter sprake. De Griekse vriend heeft reeds vermeld dat ie twee broers heeft en een zuster van nauwelijks 16. In een vlaag van overmoed, aangevuurd door wijn en bijna “goddelijke” inspiratie, verklaart de dichter dat hij dat meisje zal ontvoeren, dat zij zijn vrouw zal worden. De jonge Griek reageert daarop met een glimlach van ongeloof. Meer niet. Maar hij nodigt nu reeds zijn Vlaamse vriend uit op zijn dorp voor het volgende Griekse Paasfeest. En ‘s anderendaags gaan de vrienden uiteen. De ene reist af naar Brussel (bijna 50 uren treinreis!), de andere naar zijn dorp in Thessalië.

En de briefwisseling vangt aan. Het is de jonge Griek die het eerst schrijft. Volgt de dichter, in nog primitief Grieks. Foto’s gekiekt tijdens hun samenzijn in Athene worden naar Griekenland verzonden. Weldra volgen familiekiekjes vanuit Thessalië. De dichter kan nu de bekoorlijke jonge zus van zijn vriend bewonderen. Brieven gaan en komen. Ook Griekse muziekplaten
vinden hun bestemming in Brussel. En er wordt intensief Grieks geleerd.

In de lente begeeft de dichter zich weer op reis. Ditmaal op een loopje door Italië, tot Brindisi, waar hij inscheept naar Igoumenitsa. Vandaar de lange tocht per bus en taxi het Pindosgebergte over. Bij zijn aankomst in Lárissa staat de vriend ongeduldig te wachten. De dag daarop, Paaszaterdag, wacht het hele gezin van de vriend op die jonge vreemdeling die zij bij hen in hun nederig huis enkele dagen zullen herbergen en die met hen Pasen zal vieren. De dichter begroet – eindelijk – in levende lijve de enige dochter, de zuster van zijn vriend, een wondermooi meisje.

Veel hoeft er niet gezegd te worden. Het mag ook niet. Het zou niet betamen. Op het dorp Ελευθερές (Eleftherés) zijn de zeden nog streng: een φιλοξενούμενος (gast) moet zich in alle opzichten korrekt, diskreet houden. Maar de blikken tussen de twee, en schijnbaar onschuldige gesprekjes, hebben álles reeds bepaald voor de toekomst. Wat de dichter acht maanden voordien met overmoed voorspelde, zou zich voltrekken…

Het was een toeloop van omstandigheden. Ook veel toeval. Het zou nog een tijdje duren vooraleer het huwelijk eindelijk kan plaatsvinden. Intussen zal de jonge dichter zich in Griekenland vestigen, een nieuwe loopbaan opbouwen. Onzekerheid, praktische moeilijkheden, soms ook onbegrip, spelen hun rol en vertragen de gang der zaken. Maar in welk sprookje ontmoeten de helden geen hindernissen op hun weg naar Liefde en Geluk?



VERVAGING DER BEELDEN

wat olie,
want de vlam als zij wegzinkt,
is het donker en vreemd in mij.

wat schaduwen klein,
om niet héél alleen
het zo vreemde lied te horen.

wat moeheid ook,
om niet scherp
de pijn te voelen, nu

bij jouw wassen beeld.



HELING

ramen
zonwitte ramen
waarachter
ik.

licht dat één bewegen is,
klanken naar een hoge
reine sierisinde,
water en bloemen.

ramen
ramen – getuigen
zonranden – ramen
en ik,
ondoorgrondbaar stil,
ik vat sekonden, sekonden…

noem niet één van mijn namen,
lieve; zacht
zuiver de wonde…



MATELOOS

mateloos,
de hoogste vreugde als kleingoed in zijn hand,
mateloos zou ie leven,
en wat tot heden leven was,
nietig, pijnlijk hervormen, en
verheffen tot bewondering.
mateloos.

noem dan
de naam van haar
die deemoed deed geworden in zijn lied.

er is een énig trachten
naar schoonheid, naar stilte, naar licht:
een zich geven aan de ander,
mateloos.



VERS VAN DE UITGEWEKENE

zwarte takken
zwarte stammen
op een gloeiende, stralende avondhemel,
daar waar het westen moet zijn,
Vlaanderen
het avondland
en de zee.

ik ben gevangen tussen deze heuvelkammen.
zwarte takken
zwarte stammen
zijn een versperring die ik niet doorbreken kan;
de zee,
de stormen, zijn ver…

hier
waar mijn zoon geboren werd,
waar ik je vond, liefste, en in mijn armen nam,
waar je zong voor mij –
je bent zo goed!

ik zal nooit teruggaan
naar het land tussen de Maas en de zee.
zwarte takken
zwarte stammen
sluiten duizend dromen in.
en het heemwee,
dat jij stil zal wegnemen van mij
met je zachte hand…

dit,
is het schoonste uur!

No comments:

Post a Comment