8.3.11

AFREKENING EN NIEUW LEVEN


6. WELK VADERLAND ?

Men kiest zijn land van herkomst niet. Daar waar men geboren is en opgegroeid, daar is het land dat men vaderland kan noemen. Men kan ontevreden, diep ontevreden zijn met dat land. Dan wordt men, tijdens de jeugdjaren, opstandig. En wanneer opstandigheid niet gedijt kan diepere ontgoocheling, gepaard met andere omstandigheden leiden tot afkeer en vertrek. Uitwijken. Bij de dichter was de toenemende, steeds maar toenemende verfransing van Brussel en omgeving een doorn in ‘t oog. Strijden en – misschien – sneuvelen? Of berusten en elders in een gezonde gemeenschap (taalgemeenschap) leven? Natuurlijk zal er heemwee binnensluipen, waar men zich ook vestigt. Maar voor de rest van een mensenleven tenminste ver van zwoele toestanden, vermits van overheidswege en van het hele politieke stelsel niets te verwachten viel…
Hoezeer kan men houden van een vaderland, van een stad, waar men zich dagelijks beledigd voelt?



WANNEER EEN KONING ZWIJGT

helden - doden,
die nog elk jaar ter feesttafel zijn uitgenodigd,
zwijgende getuigen van glorierijke reden,
doden met roem te zwaar op hun graf,
onder een vreemde taal gevallen
in Vlaamse modderbeemden.
en dezen dan, die nog niet zijn begraven
met eervol luid klaroengeschal:
helden poppenkinderen;
tegen elkeen van jullie neem ik het op.
de inzet: Vlaanderen.

waar blijft dan jullie wederwoord?
helden Belgen?
wanneer een koning zwijgt…



DE EILANDEN

verkeerd heb ik geleefd.
ik had een vaderland
(zei men mij).
ik werd dichter in een wereld die het woord misprees.
overal, waar ik kwam,
vermoedde ik woorden nutteloos,
mistroostig dood.
alleen de stenen leven.

ik heb mijn lichaam, mijn schaduw
in wit marmer gezet;
ik kan nu wachten

lang, lang zo nodig na de morgen nog
naar een schip van overzee.

hoewel ik niets verwacht,
geen dood, niets.
het vaderland ging ten onder,
zei men mij.
ik voel geen spijt, geen wroeging, geen haat,
ik meende dat ik leefde,
dat ik zag en hoorde en voelde
en kon huiveren van wellust
en kon vloeken, en wenen misschien.

waar is de zee?
waar is het schip?



ULTIMA VIA

indien men mij zei:
ga, ga naar het land
waar je alleen zal wonen,
en sterven alleen;
ik weet dat ik die weg zou gaan
en zonder spijt.

dit alles hier te verzaken,
ja, zonder spijt.

maar elders, waar de hemel
blauw, fel blauw
en zoet de morgens,
na jaren zou ik verlangen

ééns, nog éénmaal,
in het najaar liefst
bij dunne regen de daken te zien
van de heuvelstad,
de gotisch hoge kerken
en, Vlaanderen, rondom mij…

Vlaanderen weer,
na duizend wegen.

No comments:

Post a Comment